Lichtervelde

Lichtervelde Stegelstraat – Ontginningshoeve uit de 12e-13e eeuw

Het archeologisch onderzoek heeft een beeld opgeleverd van een geïsoleerd boerenerf uit de 13e-14e eeuw. Het woonhuis, een woonstalhuis dat heel mooi past in de typologie beschreven door De Clercq (2017), en enkele bijgebouwen lagen in een bosachtige omgeving. Er werd rogge, tarwe en/of gerst verbouwd en meerdere fruitbomen, waaronder een mispelaar, stonden op het boerenerf. De exploitatie van het bos nam een belangrijke rol in in het landbouwsysteem, waarbij het diende als graasgrond en waarbij tevens bosstrooisel werd verzameld om de zandige akkergronden te verbeteren. De omliggende heidegronden werden eveneens ontgonnen. Er zijn tevens aanwijzingen voor begraasde akkerlanden, waarbij veeteelt een grote factor was binnen dit boerenbedrijf. In de 14e eeuw lijkt de ontginning verder gevorderd hoewel nog steeds sprake is van een sterk beboste omgeving. De teelt van rogge, tarwe en/of gerst is uitgebreid met vlas. De vergevorderde ontginning blijkt ook uit de meer dominante aanwijzingen voor agrarische activiteit, zowel veeteelt als akkerbouw, en de heideontginning loopt achteruit.

Neolithische pottenbakkersoven

Kortrijk Schaapsdreef

Naar aanleiding van een verkaveling aan de Schaapsdreef te Kortrijk werd tussen 26 mei en 24 juli 2015 door BAAC Vlaanderen een vlakdekkend archeologisch onderzoek uitgevoerd.

Het onderzoek leverde sporen en vondsten op uit het vroeg tot midden-mesolithicum, het neolithicum, de metaaltijden, de middeleeuwen en uit WOI. Het vroeg en midden-mesolithicum wordt vertegenwoordigd door enkele silexvondsten die werden aangetroffen tijdens het sporenonderzoek. Uit het neolithicum betreft het de uitzonderlijke vondst van een pottenbakkersoven. De ouderdom van de sporen werd bepaald aan de hand van het aangetroffen aardewerk dat typo-technologisch sterk aansluit het gekende Michelsbergaardewerk. Twee grafcirkels worden in de midden-bronstijd gedateerd, enerzijds op typochronologische kenmerken maar bevestigd door 14C-dateringen. Deze situeren zich binnen een funerair landschap dat ook later nog werd gebruikt, gezien het enclos en een mogelijke palenrij.

De best vertegenwoordigde periode binnen het plangebied is echter de ijzertijd. Het gaat hoofdzakelijk om bijgebouwen en een enkel crematiegraf. Er werden geen hoofdgebouwen en/of greppelsystemen aangetroffen. Dit maakt het markeren van bepaalde onderdelen van woonerven of landbouwarealen onmogelijk. We vermoeden dat de woonerven zich hoger op de heuvel bevonden. De vele losse vondsten in het colluvium, aan de heuvelvoet, en in de erosiegeul lijkt deze theorie te bevestigen. In het zuiden van zone 1 zijn tevens bewoningssporen uit de vroege tot volle middeleeuwen aangetroffen.

De basis rapportage van deze opgraving is reeds opgeleverd, maar vormt niet het eindpunt in de studie van de site. Zo is het neolithische aardewerk opgenomen binnen de doctoraatsstudie van Dimitri Teetaert, aan de UGent. En heeft BAAC Vlaanderen een overeenkomst met de UGent om de neolithische ovenstructuur verder te onderzoeken. En wij hopen de resultaten van dit verder onderzoek in de nabije toekomst te ontsluiten.

Ronse peperstraat

Ronse Peperstraat – De archeologische opgraving

In mei 2016 werd door BAAC Vlaanderen bvba gedurende drie weken een archeologische onderzoek aan de Peperstraat te Ronse uitgevoerd in opdracht van Thiers nv. Voorafgaand bureau- en proefputtenonderzoek uitgevoerd in februari van dit jaar toonde het archeologisch potentieel van deze site al aan.

De terreinen bevinden zich net buiten de oudste stadskern van Ronse, in een gebied dat vanaf de 13e eeuw bij de stad gevoegd werd. De oudste sporen zijn inderdaad vanaf de 13e eeuw te dateren. Het gaat hier dan in de eerste plaats om leemwinningskuilen. Deze leem werd meer dan vermoedelijk gebruikt voor de bouw van vakwerkwoningen, waarvan enkele funderingen werden teruggevonden. Ook in deze periode zal het gebied met ongeveer een halve meter opgehoogd worden om het terrein zelf bouwrijp te maken.

In twee lange profielen haaks op de Peperstraat kon de complexe bodemopbouw bestudeerd worden. In totaal kunnen vijf verschillende loopniveaus onderscheiden worden. Bij vele van deze loopniveaus behoorden ook haardplaatsen. Deze zijn opgebouwd uit plavuizen of stukken ijzerzandsteen en vormden de centrale haard binnen de vakwerkbouwhuizen. Tussen deze lemen vloeren is vaak ook een pakket met brandmateriaal te vinden, het restant van de vele stadsbranden die Ronse gekend heeft. Op basis van de gekende historische bronnen en het aangetroffen vondstmateriaal kan de oudste brandlaag in 1382 gedateerd worden. Deze brandlagen zijn dan ook ideale ijkpunten om de interne chronologie van de site met te finetunen. Ook twee rijke mestkuilen kunnen aan deze periode gekoppeld worden.

Los van deze brandlagen werden ook funderingen aangetroffen, zowel in ijzerzandsteen als in baksteen. De ijzerzandsteenmuren behoren toe tot ten minste twee panden die waarschijnlijk in de 16e-17e eeuw opgericht zijn. Verder onderzoek kan hier mogelijk nog verdere informatie over verschaffen. Ook bij deze panden hoorden haardvloeren, waarvan de meest indrukwekkende een restant van een zogenaamde ‘gotische’ haard was met restanten van de schouwfundering en haardvloer.

Een in het oog springende vondst is een 18e-eeuwse beerbak die ook al in het vooronderzoek aangetroffen was. Bij verder onderzoek bleek de bak in de 19e eeuw een vloer gekregen te hebben waarna deze was dicht gestort met allerhande afval, waaronder ook enkele bijzondere pijpenkopjes (waarvan één met vrijmetselaarsiconografie).

De opgravingen aan de Peperstraat te Ronse leverden zeer veel resultaten op. Op een relatief kleine oppervlakte kwamen diverse sporen aan het licht die getuigen van een intense bewoning vanaf de 13e eeuw. Zo kunnen verschillende loopniveaus, haardplaatsen en brandlagen herkend worden. Enkele bijzondere contexten leverden soms rijke vondstensembles op. Ze leveren een bijdrage tot de reconstructie van het verleden op en rond de onderzoekslocatie. Hoewel de uitwerking nog maar net gestart is kan op basis van de aangetroffen gegevens voor de ruime omgeving rond de Peperstraat-Rooseveltplaats een goede inschatting gemaakt worden van het archeologisch potentieel van het Ronsese bodemarchief.

Lepel Geel uitgelicht

Geel Kanunnikenblok – Landbouwers door de eeuwen heen

Naar aanleiding van een verkaveling bij Kanunnikenblok in Geel werd in opdracht van Arcadis in 2014 een archeologische opgraving uitgevoerd. Tijdens het archeologische vooronderzoek werden reeds voldoende vondsten aangetroffen om een vervolg onderzoek op te leggen, in de vorm van een vlakdekkende opgraving. Door de geplande graafwerken zou het bodemarchief immers verstoord worden en de gekende archeologica vernield worden.

Tijdens de opgraving zijn sporen aangetroffen die voornamelijk te dateren zijn in drie periodes, de ijzertijd, de Romeinse tijd en de middeleeuwen. De bijgebouwen en kuilen uit de ijzertijd zijn te koppelen aan het agrarische landgebruik, ze werden vooral gebruikt als opslagruimte en bevonden zich op enige afstand van de bewoning nabij de akkers. Vervolgens kende de site een Romeinse bewoning. Er werd een klein huis aangetroffen dat te situeren is tussen de 1e en 3de eeuw. Het geïsoleerde voorkomen van deze plattegrond deed de wenkbrauwen fronsen, aangezien dit type voornamelijk voorkomt op dicht bewoonde nederzetting sites.

Uit de middeleeuwen zijn verschillende fases teruggevonden. Er werden enkele waterputten aangesneden en verschillende huisplattegronden die wijzen op een langdurige occupatie van het plangebied. De locatie van de waterput wijst op een samenkomen van verschillende biotopen, waarbij zowel akkers, weilanden als moerasbos in de onmiddellijke omgeving gevonden kunnen worden. Deze biotopen kunnen verschillende grondstoffen leveren waardoor de locatie waarschijnlijk hierdoor is uitgekozen voor bewoning. Deze bewoning past in de huidige kennis van de Merovingische periode waarbij tijdens een eerste grote ontwikkelingsperiode, in de 7e-9e eeuw, nieuwe nederzettingen werden ingepland in woeste gebieden, op de glooiingen van hogere gelegen zanderige bosgronden en heidegronden naar alluviale beekdalen. Vervolgens bleven deze gebieden verder in gebruik gedurende de Karolingische periode.

Skelet Minnemeers_uitgelicht

Gent-Minnemeers: De Leie, een vuilnisbelt en een begraving

Afgelopen zomer werd door BAAC Vlaanderen bvba gedurende twee korte campagnes een archeologische onderzoek aan de Minnemeers te Gent. Over de voorgaande fase van het veldwerk werd hier onlangs reeds bericht. Tijdens die eerste periode van terreinwerk werd de gehele bouwput van ca. 1600m² tot op een eerste niveau afgegraven en werden het vrijgekomen muurwerk en andere sporen volledig in kaart gebracht en gedocumenteerd. Er werden toen o.a. sporen van de eerste, begin 18de eeuwse, bebouwing aangetroffen waaronder een tiental soldatenhuisjes.

Bij de vervolgfase, waarover deze bijdrage handelt, werd het terrein verder verdiept tot ongeveer 2,50m onder maaiveld. Opmerkelijk hierbij was dat nergens het natuurlijk niveau werd aangetroffen. Bij de aanleg van het archeologisch vlak kwamen daarentegen diverse dagzomende ophogings- en afzettingslagen aan het licht die in verband worden gebracht met een afwisseling van landwinnings- en overstromingsfases. Dit had alles te maken met de ligging van de site net naast de Leie. De aflijning of verloop van deze pakketten liep nagenoeg volledig parallel met de huidige loop van de rivier. In verschillende profielen, haaks op de Leie, kon de afwisseling van de lagen mooi in kaart worden gebracht met daarbij een zwakke neerwaartse helling richting de waterloop. In de diverse verspoelde of aangebrachte lagen werd aardewerk, natuursteen, schelpjes, sintelnagels, etc. aangetroffen. De bodemopbouw van de site gaf aan dat de terreinen langs de huidige waterweg onderhevig zijn geweest aan de werking van de rivier als de mens.

In de 13de eeuw (vóór 1270) wordt de Leie ter hoogte van de huidige onderzoekslocatie vermeld als ‘La Nouvelle Lis’ of de Nieuwe Leie. Historici concludeerden hieruit dat dit deel van de rivier nieuw zou zijn gegraven.

Op basis van het huidig uitgevoerd onderzoek kan misschien worden gesteld dat er tot de 13de eeuw sprake was van een situatie waarbij de oude Leie meanderde en veel breder was. Vermoedelijk heeft men op een gegeven tijdstip beslist om de oncontroleerbare en niet bevaarbare waterweg te kanaliseren waarbij de benaming Nieuwe Leie is ontstaan. De oude loop/oever bevond zich dan deels over de onderzoekslocatie. De aangetroffen lagen met grote brokken natuursteen zouden een aanwijzing kunnen zijn voor deze aanplemping.

In het zuidoosten van het terrein, dichter tegen de huidige straat aan, veranderde het beeld in de profielen echter. Daar werden opmerkelijk dikkere en meer heterogene lagen aangetroffen met daarin veel aardewerk, leerfragmenten, botmateriaal (o.a. hoornpitten) en veel organische resten. De natuurlijke meer zandige overstromingslaagjes waren hier grotendeels afwezig. Deze organische pakketten konden hoogstwaarschijnlijk worden toegeschreven aan de in (historische) bronnen vermelde stortplaats. Vermoedelijk werd vanaf de 13de eeuw het terrein, welke in die tijd onderdeel uitmaakte van de moerassige Waterwijk, gebruikt als vuilnisbelt voor het stadsafval. Op die manier werd tevens aan landwinning gedaan. Het gerecupereerde aardewerk uit de diepst aangetroffen lagen wordt voorlopig in de late 13de / 14de eeuw geplaatst.

Dwars doorheen het aangelegde vlak liep een door houten paaltjes geflankeerde gedempte gracht met noordoost-zuidwestelijke oriëntatie. Deze gracht staat afgebeeld op een laat 16de eeuwse figuratieve kaart en wordt geïnterpreteerd als bleekweidegracht. Naast enkele dieper aangelegde, gemetste waterputten en twee funderingsresten werden verder geen noemenswaardige sporen aangetroffen in het vlak.

Echter, één kuil overtrof de verwachtingen. Tussen de verschillende hierboven besproken lagen kwam namelijk een rechthoekige kuil aan het licht waarbij het bij nader onderzoek bleek te gaan om een inhumatie. In een relatief goed bewaarde houten kist werd een volledig menselijk skelet aangetroffen. Het aantreffen van de kistbegraving op deze plek is heel ongewoon. Voorlopig wordt het spoor gedateerd in de late middeleeuwen, een periode waarin de overledenen werden begraven op een kerkhof en niet op een open terrein in de stad. Even werd gedacht aan een misdrijf, maar de aanwezigheid van een degelijke en goed afgewerkte lijkkist doet anders vermoeden. Verder specialistisch onderzoek van de skeletresten zal hier misschien uitsluitsel over kunnen geven.

De opgraving aan de Minnemeers heeft alweer verschillende interessante resultaten opgeleverd. De terreinen langs het water kenden een evolutie van een moerassig gebied, over een laatmiddeleeuwse stortplaats onderhevig aan rivierwerking, naar een bleekweide, oefenterrein, soldatenhuisvestingsplek, pre-industriële panden tot effectief fabrieksterrein. De aanwezigheid van een menselijke begraving is momenteel nog moeilijk te verklaren, maar geeft een extra tint aan de site.

Soldatenhuisjes Minnemeers_uitgelicht

Gent-Minnemeers. Soldatenbarakken uit de 18de eeuw

Tussen 23 april 2015 en 18 mei 2015 werd op de terreinen van de voormalige VDAB-werkwinkel aan de Minnemeers te Gent in opdracht van het bouwbedrijf Van Kerckhove en Gilson een opgraving uitgevoerd door BAAC Vlaanderen bvba. De ontgravingsdiepte bedroeg in deze fase ca. 1m60 onder het maaiveld. In totaal werd ca. 1550m² vlakdekkend archeologisch onderzocht.

De terreinen kennen een rijke geschiedenis. Dit deel van het huidige Gentse grondgebied kwam in het begin van de 13de eeuw onder stadsbewind. Het onderzoeksterrein is gesitueerd langs de (Nieuwe) Leie. Lange tijd is deze smalle strook onbebouwd gebleven, vermoedelijke ter verdediging van de stad. We weten wel dat tot 1568 de jongelingen van de Sint-Sebastiaansgilde er hun oefenterrein hadden. Ook zijn er afbeeldingen waarop de onderzoekslocatie als bleekweide wordt weergegeven. In de eerste jaren van de 18de eeuw werden er op het achterterrein soldatenbarakken opgericht, waar het leger van de Hertog van Marlbourough in de winter ingekwartierd lag. Later werden deze kleine huisjes gebruikt voor het onderbrengen van arme arbeiders en werd het zo een van de oudste beluiken van de stad. In 1777 werden deze gebouwen geïncorporeerd in een grote suikerraffinaderij. De ruimtes van deze fabriek werden in de 20ste eeuw omgebouwd tot schoollokalen en kantoorruimtes.

Tijdens de opgraving werden diverse muur- en funderingsresten aangetroffen. Deze kunnen hoofdzakelijk worden toegeschreven aan latere intense bouwactiviteiten gedurende de 19de en 20ste eeuw bouwactiviteiten, die aan de hand van de toenmalige kadastermutaties op de voet gevolgd kunnen worden. Het gaat hier onder andere om de gebouwen van de suikerfabriek.

Resten van de oudere gebouwen werden eveneens aangetroffen op het terrein. Vooral de overblijfselen van de ‘barakken’ van het leger van de Britse hertog, die in de eerste jaren van de 18de eeuw werden opgetrokken, springen hierbij in het oog. Het betreft een 17-tal kleine geplavuisde rijhuisjes, parallel met de Leie-oever. Een schets uit het jaar 1776 verduidelijkt de opgegraven resten.

Op de vloer van deze huisjes werden heel systematisch aangelegde haardvloertjes aangetroffen, meestal in combinatie van een natuursteen-tegel (waarschijnlijk voor het plaatsen van een warme kookpot). Bij sommige haardvloertjes was gebruik gemaakt van speciale haardtegels. In een aantal kamertjes werden ook sporen van dunne tussenmuurtjes aangetroffen met hier en daar een deuropening. Op de vloer waren in sommigen van deze deuropeningen de slijtsporen van de deuren nog zichtbaar.

Aan de straatzijde werd een oudere keldervloer aangetroffen met daarboven een vondstenrijk opvulpakket dat kan worden gedateerd in de 17de-18de eeuw. In deze vulling werd, naast veel aardewerk en glas, tevens een deel van een furket, een ‘vork’ om een musketgeweer te ondersteunen, en een soort lakzegel teruggevonden. Ook werden hier verschillende muurresten en funderingen teruggevonden die mogelijk teruggaan tot de kopergieterij die hier vanaf de 17de eeuw tot begin 20e eeuw gevestigd was.

In een vervolgfase zal de nu reeds onderzochte zone nog een meter worden verdiept. Aandacht zal hier vooral gaan naar de mogelijke oudere sporen en de bodemopbouw van de Leie-oever. De start van deze 2de fase wordt verwacht begin juli 2015.

Kuipen bibliotheekstraat_uitgelicht

Leerlooiers in Gent. Onderzoek aan de bibliotheekstraat

In een periode van maart tot mei 2015 heeft BAAC Vlaanderen bvba enkele terreinen langs de Bibliotheekstraat archeologisch onderzocht. Op de locatie van de voormalige Kookwinkel Maurice Rogge plande projectontwikkelaar Urban Link Group namelijk de bouw van appartementen met ondergrondse parkeergarage.

Onder de recente, 20e eeuwse bouwsporen werden verschillende muur- en vloerresten aangetroffen die worden gedateerd vanaf de 16de eeuw. Oudere structurele bouwsporen werden niet gevonden. Uitzondering is echter een fragmentarisch bewaard vloertje waarboven en rond een specifieke concentratie aan aardewerkfragmenten werd aangetroffen. Verschillende van deze scherven bleken misbaksels te zijn en/of van vaatwerk dat nooit gebruikt werd. Een interpretatie als pottenbakkersoven was hier niet veraf. Een voorlopige datering gaat naar de 14de eeuw. Ook rondom het vloertje werd een klein aantal sporen van verbrande grond aangesneden.

Het terrein was vermoedelijk tot in de 14de eeuw een drassig en moeilijk betreedbaar terrein. Dit kon worden vastgesteld in de gedocumenteerde bodemprofielen. Deze vertoonden tot 2m diepte slechts enkele dikke ophogingspakketten zonder veel stratigrafie. Op een dieper niveau werden diverse kleiige rivierafzettingen, afgewisseld met antropogeen opgebrachte lagen gedocumenteerd, die telkens schuin boven elkaar waren afgezet. Een interpretatie als oude oever van de in de 18de-19de eeuw gekanaliseerde gracht is hier meer dan waarschijnlijk. Uit bronnenonderzoek en cartografisch onderzoek vooraf aan de start van het onderzoek was reeds gebleken dat tot eind 19de eeuw een stadsgracht het terrein in het noorden doorkruiste. Al vlug werd hiervan ook de kademuur aangetroffen.

De grootste verrassing was echter het blootleggen van 13 grote houten leerlooierskuipen, die in de 18de-19de eeuw worden gesitueerd. Er was vooraf niets gekend over deze ambacht in dit deel van de stad. In de houten kuipen werd telkens een dik pakket gemalen eikenschors (run) aangetroffen. De dierenhuiden werden in een mengsel van deze run en urine gelegd om ze te looien.

Net naast de houten exemplaren werden twee ronde bakstenen putten opgegraven. Deze zijn tevens binnen het leerlooiersambacht te plaatsen. De putten werden gevuld met kalk en water om de ondergedompelde huiden te ontdoen van de laatste vleesresten en haar. Daarna gingen ze naar een bad met run.

De opgraving aan de Bibliotheekstraat heeft weer een klein stukje Gentse stadsgeschiedenis kunnen ontrafelen.

Vrije Schippers_uitgelicht

Huis van de vrije Schippers – Opgraving in hartje Gent

In opdracht van het Havenbedrijf Gent en in het kader van de restauratie van het ‘Huis van de Vrije Schippers’, onder ontwerp en uitvoering van Callebaut-Architecten, heeft BAAC Vlaanderen recentelijk een kleinschalige archeologische opgraving uitgevoerd.

Het ‘Huis van de Vrije Schippers’ ligt op de oostelijke oever van de Leie, de Graslei, op de hoek met de Hazewindstraat. Vanaf de 13de eeuw ontwikkelde het stadskwartier tussen de Sint-Michielsbrug en de Grasbrug zich tot een belangrijke binnenhaven, die tot in de 18de eeuw een significante economische en commerciële betekenis zou hebben.

Aanvankelijk eigendom van de molenaarsgilde, kwam het pand in 1530 in handen van de vermogende gilde der Vrije Schippers, die het liet renoveren in de stijl van de Brabantse Gotiek. Sinds de teloorgang van de gilde in de 2de helft van de 17de eeuw wisselde het gebouw meermaals van eigenaar, functie en inrichting. Desondanks bleef het tot op heden structureel quasi intact. In 1897 werd het Schippershuis eigendom van de staat, waarop een restauratie volgde van de voorgevel en van het interieur in neogotische stijl. Sedert 1943 is ‘het gildehuis der Vrije Schippers’ beschermd als monument. Ook maakt het deel uit van een beschermd landschap, en van een beschermd stadsgezicht.

Tijdens de archeologische opgraving werden de binnenkoer/tuintje en het kelderniveau van het pand onderzocht. In de kleine tuin werden geen archeologische resten aangetroffen. Vermoedelijk werd de ondergrond danig verstoord bij het plaatsen van een enorme waterput aan het begin van de 20e eeuw. De opgraving binnenin de kelder leverde daarentegen data op betreffende de bouwgeschiedenis van het Schippershuis en de bodemopbouw op de locatie. Zo kon een 4-delige fasering worden gedocumenteerd in de vloeropbouw, met onderin een systeem van drainage. Onder deze vloer werd de onderkant van een gemetste beerput aangetroffen. Deze bleek echter te zijn geruimd. Verder lijkt de aanwezigheid van een zandige opduiking op de locatie te worden bevestigd.

Zoersel uitgelicht

Zoersel Dorp – Bewoning uit de ijzertijd en volle middeleeuwen

Naar aanleiding van de herinrichting van de percelen aan Dorp 50-64 te Zoersel is in april 2013 een vlakdekkend onderzoek uitgevoerd. De verwachting naar aanleiding van het vooronderzoek is ruimschoots ingelost met het aantreffen van een uitzonderlijk goed bewaarde huisplattegrond uit de volle middeleeuwen. Onverwacht is de aanwezigheid van diverse bewoningssporen uit de ijzertijd, waaronder een Haps-woonhuis, verschillende bijgebouwen en een waterput.

Zoersel 1

 

Uit de volle middeleeuwen is een gaaf bewaarde plattegrond van een bootvormig woonstalhuis aangetroffen. Op basis van de typologie en het vondstmateriaal blijkt het om een laat exemplaar te gaan, uit het begin van de 13de eeuw. Opmerkelijk bij deze plattegrond is dat ook de dienstingang is aangetroffen, waar de kar werd ingeduwd voor het in en uitladen van goederen. Het woonhuis behoort samen met een stal of schuur en enkele kuilen met artisanale functies tot een type erf dat reeds vaker is geattesteerd in het Maas-Demer-Scheldegebied. Andere bijgebouwen en de waterput kunnen worden verwacht op de aanpalende percelen. De nederzetting is naar volmiddeleeuwse gewoonte ingeplant op een microlaagte van het toenmalige landschap. Deze lagere gronden waren immers ongeschikt voor akkerbouw en werden bijgevolg gebruikt voor de inplanting van de woonplaats.

Het middeleeuwse erf van Zoersel Dorp past mooi binnen het historisch kader van de oorsprong van Surcele in 1240. Mogelijk is hier sprake van een Einzelhof, waarbij de zure en onvruchtbare gronden van Zoersel door bevolkingsdruk en schaarste aan landbouwgrond in ontginning worden genomen.

Uit de ijzertijd zijn naast een deel van een woonhuis ook enkele opslagstructuurtjes en een waterput aangetroffen. Het is niet duidelijk of er voor deze periode sprake is van een erf of nederzetting. De relatie tussen de gevonden structuren valt immers niet te achterhalen en de gelijktijdigheid is relatief. Het voorkomen van dit type woonhuis (Haps-type) binnen het Maas-Demer-Scheldegebied past binnen het reeds gekende verspreidingsgebied van dergelijke plattegronden. De kennis van het ijzertijdlandschap in de ruime regio van Zoersel heeft in ieder geval een start genomen met de recente vondst van een grafveld te Zoersel Graffendonk en de bewoning te Zoersel Dorp.

De ijzertijdwaterput, die duidelijk op drie verschillende tijdstippen in gebruik is geweest, heeft twee opmerkelijke vondsten opgeleverd. Helemaal onderin één van de oudste gebruiksfasen zijn namelijk twee laddertjes aangetroffen. Vermoedelijk zijn deze gebruikt bij het uitgraven van de waterput en zijn ze achtergelaten toen de put af was. Dergelijke trapjes worden slechts zelden aangetroffen en men kan spreken van een uitzonderlijke vondst.

Zoersel 2

 

Tenslotte werd in de bouwvoor een Duitse helm gevonden. Het gaat om een helm van het type M16, ontwikkeld in de Eerste Wereldoorlog. De helm bleef onder Duitse soldaten in gebruik tot in de Tweede Wereldoorlog. De typische karakteristieken zijn de aanwezigheid van twee “horens” ter bevestiging van een extra metalen beschermingsplaat en de twee bevestigingshaakjes voor de kinriem. De helm in Zoersel kan samen met een gevonden kogelhuls in de periode 1940-1943 worden gedateerd.

Zoersel 3

Zemst uitgelicht

Zemst Beekstraat – Een kringgreppel en crematiegraven

Nabij het centrum van Eppegem (deelgemeente Zemst) is in de zomer van 2012 een archeologische opgraving uitgevoerd. Het onderzoeksterrein wordt verkaveld en kwam op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek in aanmerking voor vlakdekkend onderzoek. Onverwachts bleek het terrein rijk aan sporen uit de metaaltijden, waaronder een kringgreppel en een vijftal crematies.

Zemst 1

De kringgreppel of grafcirkel heeft een diameter van circa 42 meter en tekent zich in het vlak duidelijk af door zijn grijze opvulling. Het overtuigende kleurverschil tussen de greppelvulling en de moederbodem wijst erop dat de greppel een poos heeft open gelegen. Tijdens het couperen van de greppel zijn enkele aardewerkfragmenten verzameld met een datering gaande van de midden-bronstijd tot late bronstijd/vroege ijzertijd. Deze bronstijd-datering wordt ondersteund door de resultaten van het OSL-onderzoek. Wanneer de grootste range van OSL-dateringen wordt aangehouden, ligt de datering van de opvulling tussen 1868 en 628 vóór Chr. (terminus ante quem).

Zemst 2

Kringgreppels uit de bronstijd markeren vaak de locatie van grafheuvels. Een centraal graf en/of een latere bijzetting zijn niet aangetroffen. Op zo’n 250 m ten oosten van de grafcirkel zijn tijdens een eerdere opgraving nog drie kringgreppels gevonden. De afmetingen bedragen 48, 20 en 13 meter. Van het heuvellichaam is niets bewaard gebleven. Wanneer de heuvel is genivelleerd kan alleen worden onderzocht aan de hand van materiaal uit het heuvellichaam. Dit zou theoretisch in de vullingslagen van de kringgreppel kunnen voorkomen wanneer deze greppel gedurende langere tijd heeft opengelegen, maar dat lijkt op basis van de vulling van de greppel niet het geval.